Wessem en de heren en graven van Horne

Wessem en de heren en graven van Horne

De abdij van Sint Pantaleon in Keulen erfde in 965 van bisschop Bruno van Keulen Villa Wishem met al haar rechten. Villa Wishem was een nederzetting ten oosten van de huidige kerk. De abt stelde een ambtenaar aan die in zijn naam Wishem ging beheren.

In de late jaren van de 12e eeuw was Hendrik van Horne abt van de abdij Sint Pantaleon. Waarschijnlijk heeft hij mede gezorgd dat in 1219 heer Willem I van Horne de villa Weshem van het klooster Sint Pantaleon verkreeg, voor een jaarlijkse erfpacht van 14 Keulse Marken. Kelpen en Oler en de kastelen Oud Buggenum in Grathem en Exaten hoorden er ook bij, want dit was toen Wesheyms eigendom. Tevens ging de bisschop Otbert van Luik ermee akkoord dat Willem I in Wessem munten bleef slaan.

Indien de betalingen van de rente binnen veertien dagen na de vervaldag niet zouden zijn voldaan, dan zouden alle inwoners van Wesheym met hun voogd door de deken  van het Luikse Kapittel in de ban worden gedaan, totdat de betaling had plaats gehad. De heer van Horne kwam zijn verplichtingen, ondanks vele waarschuwingen en banvloeken, slecht of helemaal niet na, zodat Wesheym weldra als een rijksheerlijkheid in het bezit kwam van de Heren van Horn, die zich eveneens betitelden als “Heren van de stad Wessem”.

Willem I van Horne kocht in 1229 van de familie Van der Marck een deel van Weert en Nederweert. Tevens erfde hij in 1242 van zijn oom Dirk van Altena nog meer bezittingen in Weert. Bij testament in 1265 kreeg Willem II van Horne (1265-1300) Wessem, Weert en Horn en de overige bezittingen gingen naar zijn jongere broer Dirk.

Willem II van Horne begon in 1290 in Weert een versterkt huis te bouwen. Hij was een belangrijke leenman van Reinoud I van Gelre en hij komt voor op een oorkonde uit 1286. Waarschijnlijk was Weert Gelders leengoed.

Gerard I van Horne (1301-1330) verklaarde in een akte van 13 mei 1305 dat hij en zijn  erven aan de abdij van Sint Pantaleon trouw de jaarlijkse erfpacht van 6 Keulse Marken zou betalen, die verschuldigd waren wegens de goederen van de abdij in Wesheym. De betalingen bleven echter achterstallig. De abdij verkocht daarom Wessem aan de graaf Willem van Gulik, zonder rekening te houden met het pachtrecht van Gerard I van Horne. Na enig aandringen werd Gerard I van Horne in 1329 door de graaf van Gulik beleend met Wessem en zijn aanhorigheden. Tot 1371 zou Wessem een leen van de graven van Gulik blijven, daarna werd het een Gelderse leen.

De muntslag in Wessem werd in 1360 door Dirk Loef, regent (1357-1369) van Willem VI van Horne, naar Weert verplaatst. De hoofdschepenbank bleef in Wessem.
De bezittingen van de van Hornes werden op 31 oktober 1368 verdeeld en Willem VI (1369-1405) kreeg Wessem, Weert, Kortessen en Altena en Monnikenland.
In 1450 werd Jacob I van Horne (1439-1471) tot graaf verheven. Hij hervatte in 1455 de bouwwerkzaamheden aan Nijenborgh in Weert. Het werd tot een kasteel met voorburcht verbouwd.
Jan van Horne was priester in Luik en omdat zijn broer, graaf Jacob III van Horne(1501-1531), kinderloos was vroeg hij de paus in 1531 om te mogen uittreden en hij kreeg hiervoor toestemming.
Op 23 augustus 1531, kort na het overlijden van zijn broer graaf Jacob III van Horne, werd Graaf Jan van Horne (1531-1540) door Prins bisschop van Luik Everhard van de Marck beleend met het graafschap Horn. Hij liet kort daarna de inwoners van Wessem, Weert, Nederweert en Horn weten dat zij hun privileges behielden.

Graaf Jan van Horne trouwde in 1533 met de weduwe Anna van Egmond, die getrouwd was geweest met Joseph van Montmorency en hiermee had ze 4 kinderen Filips, Floris, Eleonara en Maria. Jan was bang dat het geslacht van Horne zou uitsterven en hij vroeg daarom in juni 1538 aan Cornelis van Bergen, prins-bisschop van Luik en Jans neef en broer van Anna’s moeder, om de goederen aan zijn stiefzoon te vererven. In die tijd kon alleen van vader op wettige zoon geërfd worden. De prins-bisschop stemde toe in familiebelang.

Jan regelde in 1540 een huwelijkscontract tussen Filips Montmorency en Walburgis van Nieuwenaar. Filips (stiefzoon) werd zijn erfgenaam in het testament dat Jan opmaakte op 28 november 1540. Kort daarna stierf hij en omdat Filips Montmorency minderjarig was, werd gravin Anna van Egmond zijn voogdes en kreeg het vruchtgebruik van het graafschap Horne.
In de loop der tijd werd Filips steeds belangrijker in de Europese adel. Hij werd opgenomen in de Orde van het Gulden Vlies en Keizer Karel V benoemde hem tot stadhouder van Gelre. De verhouding van Filips met de koning van Spanje Filips II werd steeds slechter en dit had te maken met de reformatie. Zijn moeder en echtgenote waren de hervormde leer toegedaan.

Anna van Egmond heeft de hand gehad in de beeldenstorm in Weert, Nederweert en Wessem in 1566. In Wessem werden door Weertenaren alle beelden in de kerk vernield. En in de 3 plaatsen werden predikanten aangesteld die door de inwoners onderhouden moesten worden.
Het verder Calvinisering van de Lage Landen was koning Filips II steeds meer een doorn in het oog en daarom nodigde hij de graven van Egmond en Horn en prins Willem van Oranje uit voor een bespreking in Brussel op 9 september 1567. De prins van Oranje vermoedde dat dit een valstrik was en kwam niet en de beide anderen werden gevangengenomen. Zij werden beschuldigd van een samenzwering om de koning te verdrijven en nalatendheid om het kwaad te verdrijven en werden ter dood veroordeeld. Gravin Anna van Egmond en zijn vrouw schreven een verzoekschrift aan de koning met het verzoek om Filips gratie te verlenen, maar dit werd afgewezen.

Op de Grote Markt in Brussel werden op 5 juni 1968 de graven van Horne en Egmond onthoofd. De dagen ervoor waren al 18 edelen onthoofd. Filips was de laatste graaf van Horne. Hierdoor werd de jaren lange verbintenis van de heren en graven van Horne met Wessem en zijn aanhorigheden beëindigd.