Wessem en Thorn: waar historie en economie in botsing komen

Wessem en Thorn: waar historie en economie in botsing komen

Op de vrij grote lijst van de gemeenten in Limburg, die men in de toekomst wil samenvoegen en over welke plannen aan de diverse gemeenteraden hun mening gevraagd is, prijken ook Wessem en Thorn. Beide hebben een zeer interessante tot in de middeleeuwen en zelfs tot in de Romeinse tijd teruggrijpende geschiedenis. Dat hebben ze gemeen, maar economisch verschillen ze hemelsbreed van elkaar. Wessem is een voormalig oud vestingstadje, gelegen op de hoge Maasoever, waar het kanaal Wessem-Nederweert in de Maas valt. Thorn ligt een paar kilometer van de Maas af, maar toch op de rand van de oude Maasvallei vlak aan de Belgische grens. Het is niet van minder deftige kom-af dan Wessem, want het is gegroeid rond de vroegere rijksabdij, het vorstelijk vrouwenklooster, dat dateert van het einde van de 10de eeuw.

Bij de voorgenomen aanhechting wil men Thorn tot hoofdgemeente maken. Thorn vindt dit uitstekend om meer dan een reden, maar Wessem vindt het abnormaal. Wessem is landelijk eenvoudig, maar zeer welvarend. Thorn is iets “stads”, maar arm. We zien het geval als dat van een rijke boer, die een deftige, maar kale stadsmijnheer op zijn enige erfdochter ziet afkomen. Is het dan een wonder dat hij voor die “aanhechting” weinig gevoelt en niet enthousiast is.

Onder de redenen, die de burgemeester van Wessem verder tegen deze samenvoeging opsomden, kwam ook het gevaar, dat de goede verstandhouding tussen beide gemeenten zou lijden. Voor een buitenstaander en zeker voor een niet-Limburger lijkt dit misschien geen sterk argument, als deze samenvoeging overigens economisch verantwoord zou zijn. Maar wie de mentaliteit van de bewoners van deze Maasvallei-dorpen kent, zal daar anders over denken. Deze staan zeer sterk op hun onafhankelijkheid en om vaak onnaspeurlijke redenen zien we naijver en rivaliteit tussen deze gemeenten.

Enigszins is het misschien hieruit te verklaren dat de dorpen, tot nog voor korte tijd, vrij sterk geïsoleerd lagen. Er waardt nog iets van de middeleeuwse geest, toen de dorpeling zijn gemeente als zeer afgesloten gemeenschap voelde. Daarmee willen wij niets onaangenaams zeggen, iets wat aan achterlijkheid zou doen denken. Helemaal niet: is deze gemeenschapszin en dit saamhorigheidsgevoel niet een beschermer geweest van de “Bodenständigkeit” van de boer, van eenvoud, soberheid en traditie, die leven in een streek. In ieder geval is het feit te constateren, dat het tussen tal van, soms vlak bij elkaar gelegen Maasdorpen, niet vlotten wil. Bij kermissen, muziekfeesten en bij vrijages pleegt dat nogal eens aan de dag te treden. In de jongste zittingen van verschillende gemeenteraden hoorden we dit argument naar voren komen en we geloven, dat er iets van aan is. Het geval Thorn-Wessem lijkt ons interessant genoeg om er iets meer van te vertellen. De tegenstellingen zijn nogal groot, vooral economisch, zoals we terloops reeds opmerkten.

Een witte raaf
Op het gebied van belastingheffing is Wessem in Limburg – en misschien wel in heel Nederland – een unicum. Tot nu toe werden in deze gemeente slechts 50 opcenten op de hoofdsom van de grondbelasting (gebouwd) en 20 opcenten op de hoofdsom van de grondbelasting (ongebouwd) en 50 opcenten op de hoofdsom van de personele belasting geheven. Opcenten op de Gemeentefonds- en de vermogensbelasting worden niet geheven en werden ook in het verleden nimmer geheven. Is dat niets ondenkbaar voor de meeste gemeenten in het land, vooral heden? Als we dan ons belastingbiljet bekijken……  Gelukkig Wessemmers! Daarentegen is bekend, dat in Thorn de gemeentebelastingen tot het uiterste zijn opgevoerd en de bewoners van het adellijk stift onder veel zorgen gebukt gaan. Op 1 januari 1941 bedroeg de schuld van de gemeente Wessem fl. 40.000,-. De hiervan te betalen rente en aflossing belopen fl. 4000,- . Maar van de PLEM ontvangt de gemeente jaarlijks fl. 3600,- wegens afkoop van het elektrisch net, zodat er feitelijk geen schuld aanwezig is.

De gemeenteweide De trots van de gemeente is haar gemeenteweide ter grootte van 70 ha. Deze is gemeenschappelijk bezit en de Wessemse veestapel gaat er ter weide in zijn geheel. ’s Zomersmorgens steekt de koeherder er zijn hoorn. Dan gaan de staldeuren open en het vee, dat zijn weg kent, trekt op zijn gemak door de smalle straten naar de lommerrijke griend. Dat is een gebruik van eeuwen her. Iedere veehouder uit de plaats is gerechtigd zijn vee gedurend het weideseizoen te laten weiden. Bij samenvoeging met Thorn vreest Wessem een vermeerdering van de totale veestapel en inkrimping van de eigen bestaande bedrijven. En de gemeentelanderijen ter grootte van 65 ha worden verpacht aan de eigen ingezetenen. Deze gaan veelal in pacht over van vader op zoon, een soort erfpacht van soms meer dan een eeuw. De toekomst ziet er ook voor Wessem niet slecht uit. De grote auto-snelweg Eindhoven-Maastricht is in aanleg en zal bij Wessem met een grote brug over de Maas gaan. Dan is het gedaan met het betrekkelijke isolement. Bovendien biedt ook de toenemende scheepvaart op de rivier perspectieven voor de toekomst van het oude vestingstadje.

Een oud verleden
Wessem dateert reeds uit de Romeinse tijd. In de middeleeuwen was het een leengoed met eigen heren. Lange tijd behoorde het tot de abdij St. Pantaleon van Keulen en vervolgens aan de graven van Gelder. Omstreeks 1219 kocht Willem, de Heer van Horne, het leengoed. In de 16de eeuw had het vestingwerken, zoals blijkt uit een schrijven van de Bosschen Magistraat in 1512 aan Margaretha van Oostenrijk, Gouvernante der Nederlanden. De heerlijkheid Wessem had ook het koninklijk recht om munt te slaan. Men heeft er 3 soorten van gevonden, namelijk van Willen IV en V van Horn in de 14de eeuw. Wessem had ook zijn eigen rechtbank in die glorierijke dagen.

De oude Rijksabdij
Thorn heeft een verleden zo rijk en mooi als weinige gemeenten in ons land. Haar geschiedenis is innig en onafscheidelijk verbonden met die van de oude Rijksabdij, het vorstelijk vrouwenklooster van Thorn, gesticht door Hilsondis gravinne van Strijen en Teisterbant. Hilsondis trouwde in 956 met Ansfried, graaf van Hoey en Teisterbant, en machtig vazal van keizer Otto. Door godsvrucht bewogen kwamen ze overeen het kloosterleven te aanvaarden. Hilsondis en haar dochter traden in in de door haar gestichte abdij van Thorn en Ansfried werd geroepen op de bisschopszetel van Utrecht. In 990 werd de abdij verheven tot rijksabdij en uitgebouwd tot dubbelklooster. Later adellijke stift. Het werd bestuurd door een abdis-vorstin, wier zeggenschap zeer groot was. In 1791 werd de abdij opgeheven en de storm van de revolutie ging over haar heen. Ze werd verkocht en later tot parochiekerk ingericht. Wijlen dr. Cuypers restaureerde ze in 1880.  In de kerk bevindt zich het grafmonument van Clara Elisabeth van Manderscheidt, de stichteres van de kapel “Onder de Linden”. Een van de kerkklokken stamt nog uit 1495. Met het verdwijnen van de abdij verloor Thorn ook veel van zijn aanzien en raakte in vergetelheid. Toch is Thorn nog altijd een door toeristen bezocht plaatsje. Het heeft nog tal van pittoreske huizen en plekjes. Vroeger werden de meeste huizen witgekalkt. Jammer raakt deze gewoonte meer en meer verloren. Thorn moest een verordening hebben, die het in staat stelt veel van het oude schoon voor schending of vernieling te behouden. Maar iets van zijn oude standing leeft toch nog in zijn burgers, die zich nog lichtelijk verheven voelen boven de bevolking van de omliggende boerendorpjes. De schilders Wiegman en Henkens woonden lange tijd te Thorn en legden tal van markante dingen der plaats op hun doeken vast.

Beide gemeenten hebben zo in de loop van de eeuwen hun eigen levensstijl gevonden. Er is veel wat ze gemeen hebben, maar ook veel wat hen scheidt. Met economische overwegingen alléén komt men er niet bij deze plannen tot samenvoeging. Er zijn ook allerhande toestanden, die historisch gegroeid zijn en ontzien willen worden, wil men geen blijvende oneenigheid in leven roepen.
Moge de overheid daar een weg op vinden.

Uit: De Tijd 07-01-1941

Raad van Wessem unaniem tegen samenvoeging.

Uit: De Limburger 03-01-1941